Aanslibbing Waddenzee vooral door wind
Voor de kust zweven in zee talloze deeltjes zand, klei en organisch materiaal die uiteindelijk in de Waddenzee terechtkomen. De wind heeft grote invloed op de route van het materiaal, meer nog dan de getijden.
Carola van der Hout doet promotieonderzoek over de aanslibbing in de Waddenzee. Anders dan vaak wordt gedacht, is de stroom daar minder van invloed op dan de wind. Deeltjes zand, klei en organisch materiaal die voor de Nederlandse kust zweven, gaan met de eb- en vloedstroom hooguit wat heen en weer. Het is de dominante zuidwestenwind die ervoor zorgt dat veel van dat materiaal in de Waddenzee terechtkomt, waar het neerdwarrelt als sediment. Van der Hout deed met een team van NIOZ-onderzoekers twee jaar lang metingen in de buurt van Egmond aan Zee. Met licht- en geluidsgolven op verschillende hoogtes in zee kon ze bepalen hoeveel deeltjes erlangs stroomden en hoe hard ze gingen.
Het onderzoek door een team van NIOZ-wetenschappers laat zien hoe sediment zich in de kuststrook verplaatst met een spel van getijstromingen, golven en windrichtingen. Met name de zuidwestenwind zorgt ervoor dat het slib richting de Waddenzee gaat. Zulke kennis is nuttig, want de aanslibbing op het Wad is nodig om toekomstige zeespiegelstijging bij te houden.
Over het algemeen neemt alle slib vanaf Het Kanaal (tussen het Franse Calais en het Britse Dover) richting de Noordzee twee routes. De westelijke route gaat via de Engelse kust richting Denemarken en de oostelijke variant langs de Nederlandse kust naar de Waddenzee.
Zoetwaterpluim
De Nederlandse kust is voor een groot deel gevormd door de Rijndelta, en nog steeds is de uitstroom van zoet water vanuit de Rijn een dominante factor voor de samenstelling van het water voor de kust. Dat is veel zoeter dan verderop in de Noordzee, vanwege de rivieruitstroom. Tussen Hoek van Holland en Noordwijk ontstaat zo een ‘zoetwaterpluim’. Volgens Van der Hout heeft Nederland een zoetere kust dan bijvoorbeeld Frankrijk. “Dat proef je gewoon,” aldus Van der Hout.
Het water langs deze kuststrook is bovendien rijk aan slib. Het sediment vanuit Het Kanaal botst op het water uit de Rijn. Dat zoete water is lichter en stroomt bovenlangs richting open zee. Het zoute water met de slibdeeltjes duikt eronder waardoor al dat slib als het ware aan de kust blijft ‘plakken’. Door de rechtsdraaiende stroming blijft het zoete water nog altijd dicht bij de kust en neemt de slibdeeltjes mee naar de Waddenzee.
Zulke kennis is belangrijk, want waar zand en slik neerslaan, helpt dat bij de groei van planten en beïnvloedt dat het leven in de zee. In de slibstroom voor de Nederlandse kust komen bijvoorbeeld grote dichtheden Amerikaanse zwaardschedes (ensis) voor. ,,Die lijken van de voedingsrijke slibdeeltjes te profiteren”, zegt onderzoeker Van der Hout. ,,De schelpdieren beïnvloeden op hun beurt ook weer de komst van vogels, wormen en vissen.”
Vaker harde wind uit zuidwesten
Wat de onderzoekers in de sedimentstudie ontdekten, is dat wind erg veel invloed heeft op de stroming van het sediment. De grootste stormen komen voor de kust vaak uit het noordwesten, maar een harde wind komt vaker uit het zuidwesten. De golven uit het zuidwesten pakken zand en slijk van de zeebodem en nemen het mee. Hoe sterker de wind, hoe groter de golven en hoe meer verplaatsing.
De meeste verplaatsing vindt dan ook in de winter plaats als het harder waait en stormt. Als de wind tot meer dan tien kopen (Beaufort 3) toeneemt, neemt de hoeveelheid deeltjes die met het water beweegt, ook aanzienlijk toe.
Klimaatinvloed en menselijke ingrepen
De langere periodes van droogte door klimaatverandering kunnen volgens Van der Hout ook de slibstroom beïnvloeden. ,,Als er minder water door de rivier komt in droge periodes, zal het zoetzoutspel veranderen. Dan verdwijnt slib verderop in zee, blijft het niet aan de kust geplakt en komt het minder terecht in de Waddenzee.” Maar door de zeespiegelstijging heeft de Waddenzee juist extra slibaanvoer nodig.
Ook menselijk ingrijpen kan de slibstroom sterk beïnvloeden. Een van de tussenstops van de slibstroom naar de Waddenzee is bijvoorbeeld de haven van Rotterdam, waar veel gebaggerd wordt. Als ze dat slib niet terugbrengen naar de zee, maar ‘uit het systeem halen’, dan komt het materiaal nooit meer in de Waddenzee aan. Dus als ze in Zuid-Holland anders gaan baggeren, kan het moeilijker worden voor de Waddenzee om de zeespiegelverhoging bij te houden. ,,In de dynamische Waddenzee is continu nieuwe aanvoer nodig.”
Toch is daar nauwelijks aandacht voor, merkt Van der Hout. ,,Slibstroming is vaak onderbelicht in onderzoeken. Het slib uit de Waddenzee heeft al een heel lange reis afgelegd van enkele honderden kilometers. Dat is soms moeilijk voor te stellen.”
Bron: een artikel van Wouter Hoving in de Leeuwarder Courant (alleen voor abonnees).
Beeld: Het kaartje is gemaakt op basis van een tekening van Carola van der Hout.
Het onderzoek van Carola van der Hout c.s. is hier te lezen.

