Scheepsverhalen

Geen lang leven voor Belgisch zeilend opleidingsschip

Toen op 11 april 1906 het Belgische zeilopleidingsschip ‘Comte de Smet de Naeyer’ de trossen losgooide van de kade aan het Steen te Antwerpen, kon men niet vermoeden dat dit haar laatste reis zou zijn.

Het schip was gebouwd in 1904 en deed al een eerste verre zeereis naar Chili. De grote driemaster (81 m) werd daarna getransformeerd een beter uitgerust op aanwijzen van zijn commandant Gustave Addolphe Fourcault. Die had al om zijn ontslag gevraagd, want hoewel hij het schip stabiel genoeg vond, was het ook traag. Maar een nieuwe kapitein bleek slecht te vinden, en dus ging Fourcault akkoord met een volgende reis, die naar Port Natal in Zuid-Afrika zou voeren, met een grote lading cement aan boord, en een kleine zestig zeekadetten.

Vervloekt schip

De snelheid van de CdSdN was wellicht niet de enige reden voor Fourcault om geen zin te hebben in de volgende reis. Het ijzeren schip was niet onder een gelukkig gesternte geboren. Ze werd gebouwd als cadettenopleidingsschip voor de Association Maritime Belge S.A. Op 20 oktober 1904, tijdens de afbouw in het James Watt Dock in Greenock aan de Schotse westkust, kantelde ze en zonk, waarbij de vele arbeiders aan boord nauwelijks tijd hadden om zich in veiligheid te brengen.

Door een fout van een werknemer van de scheepswerf waar het schip tewater zou worden gelaten, werden de ballasttanks verkeerd gevuld. Daardoor kapseisde het schip direct na de tewaterlating, zodat het op zijn zij, met de masten op de kade belandde. Het duurde vier weken om haar te lichten, maar de afbouw werd voltooid en eind december 1904 werd ze aan haar eigenaars overgedragen. De Comte de Smet de Naeyer verliet Greenock uiteindelijk op 22 december 1904 in perfecte staat, gesleept door de sleepboot President Ludwig, op weg naar Antwerpen.

Windstilte

Na een proefvaart op de Noordzee, met alle mogelijke deskundigen aan boord, bleek het gerucht dat het schip niet stabiel zou zijn een fabel, en werd het schip door LLoyds in de hoogste klasse als zeeschip ingeschreven. Maar geruchten onder zeelieden zijn hardnekkig, zeker als het om de reputatie van bepaalde schepen gaat.
Toen het schip op 11 april 1906 Antwerpen verliet, werd het door windstilte gedwongen in Vlissingen halt te houden. Drie dagen later kwam er wind en vertrok het schip, op paaszaterdag 14 april. Later maakte de pers daar heel omineus Goede Vrijdag de dertiende april van, maar dat bleek opnieuw een fabel.
De ‘Comte de Smet de Naeyer’ wordt de Schelde uit gesleept door het krachtige stoomschip „Vulcain“ uit Antwerpen, zuidwaarts door de Noordzee.
Bij het eiland Wight (UK) wordt de sleepboot ontkoppeld en de zeilen worden gehesen. Dinsdag 17 april wordt Cape Lizard voorbijgevaren. Het blijkt dan al dat het schip moeilijk te besturen valt. Men vaart met een NW-wind en een ZWW-koers met een snelheid van ongeveer 10 knopen.

Geen storm

Eenmaal in de Golf van Biskaje steekt de wind verder op, maar van een storm is beslist geen sprake. Toch duikt het schip met regelmaat in de golven, zodanig dat de campagne meermaals vast water aan dek krijgt.
De cadetten denken dan nog dat het lollig is en vermaken zich door over de binnenkomende golven te springen, maar de officieren maken zich er dan al druk om dat in het ruim veel meer water binnenkomt dan van boven te verwachten valt. Er wordt vastgesteld dat het leegpompen van de ruimen niet bij te houden is en dat het schip bezig is te zinken. Op donderdag 19 april 1906 om 7 uur in de morgen, op een gegist bestek ’47°12’N  en 12°10’W’ verdwijnt het schoolschip in de golven.

Redding door viermaster Dunkerque

33 bemanningsleden, waaronder de kapitein, aalmoezenier, 2 officieren, 11 bemanningsleden en 18 kadetten komen om in de golven. Van de vier reddingsloepen blijkt er maar één te werken. Uiteindelijk overleven 26 personen de schipbreuk. Zij worden opgepikt door de viermastbark Dunkerque die hen op 28 april 1906 in Cuxhaven aan wal zet. Daar wacht de pers de overlevenden al op.
Het blijkt een van de meest mysterieuze scheepsrampen ooit in België. Achteraf wordt er druk gespeculeerd over de omstandigheden en de staat waarin het schip verging. Dat het lek was, is duidelijk, maar hoe lang al, en waardoor blijft een mysterie. Een verslag van een overlevende schetst de gebeurtenissen, maar ook dat is een subjectieve weergave.

Standbeeld in Brussel

Vlakbij het Justitiepaleis aan het Jan-Jacobsplein in Brussel werd ter nagedachtenis in 1912 een standbeeld geplaatst van de Brusselse kunstenaar Charles Samuel. Het stelt een naakte om hulp smekende jongen voor, omarmd door een vrouw met een grote cape. Ter herinnering wordt in principe jaarlijks een kleine plechtigheid gehouden aan het monument. Dit gebeurde ook dit jaar op zaterdag 25 april 2026, op een dag na precies 120 jaar na de scheepsramp.

Bronnen: Bootmag, Scottish Shipwrecks (o.a. beeld) en Jan De Meulemeester.