Journalist onder zeil
Redacteur-verslaggever Tessa Heerschop van Schuttevaer kreeg de kans om mee te varen van Londen naar Rotterdam met de Oosterschelde.
In Schuttevaer en online brengt Tessa Heerschop het nieuws over de scheepvaart; van rederijen tot scheepswerven, van schepen tot zeevarenden. Toen Tessa de kans kreeg om mee te varen van Londen naar Rotterdam met de Oosterschelde greep ze haar kans. Ze schreef een persoonlijk verhaal over haar ervaringen. Het hele verhaal leest u online op de site van Schuttevaer. We kijken even mee met haar reis door het drukke vaarwater in de Zuidelijke Noordzee.
We mogen aan boord en het valt me meteen op hoe goed het schip is onderhouden. Zelf groeide ik op aan boord van een bijna 100 jaar oude tjalk. De stalen Oosterschelde uit 1917 met haar houten masten voelt authentiek en sterk aan. Ik voel me direct thuis en veilig. We varen de Theems af en opeens denk ik: oh nee, wat als me iets overkomt? We zijn straks op open zee, wat als er een storm opsteekt? Of wat als iemand overboord valt? Vanochtend vroeg stond ik op Schiphol, nu sta ik op een schip dat vanaf Londen naar Rotterdam zeilt. Waar ben ik aan begonnen?!
We varen nog op de motor, want zeilen is hier geen optie. Langzaam wordt de bebouwing minder hoog, wordt het rustiger op de oevers en uiteindelijk komen we in het industriegebied waar veel zeeschepen nu hun bestemming hebben. In de verte doemt de Noordzee op. De schemer zet in. Ik begin me zorgen te maken. De zon is achter de horizon verdwenen als wij de Noordzee bereiken. Dan is het moment daar, de zeilen kunnen worden gehesen en wij helpen mee. Sweat, zweten dus, dat is de term voor aan een groot dik touw hangen en proberen het naar beneden te halen. De jonge sterke mannen aan boord, blijken minder effectief dan een grote wat oudere Oostenrijker met wat gewicht. Hij doet z’n handschoenen aan, pakt een touw, gooit z’n gewicht in de strijd en trekt met gemak het zeil omhoog. Ik dacht van mezelf dat ik behoorlijk sterk was en echt dun ben ik ook niet, maar ik heb moeite met deze taak. Stuurvrouw Jenny gebruikt geen kracht, maar snelheid. Daarna mag ik aan het roer staan. ‘Houd maar koers op 115 graden’, zegt kapitein Jan-Willem. Ik geef het grote houten stuurwiel een zwiep als we iets afwijken. ‘Niet zo heftig’, zegt Jan-Willem snel. ‘Rustig aan. Dit is een zeilschip, dat reageert wat langzamer.’ Ik houd vervolgens koers en merk dat ik zelf kalmeer. Het komt allemaal goed, denk ik bij mezelf. De zeilen staan, het is donker en ik zie de sterren. We zien Engeland achter ons verdwijnen en voor ons varen grote RoRo-schepen felverlicht in een soort konvooi. Bij ons aan boord gaan juist zoveel mogelijk lichten uit, zodat je ogen wennen aan het donker en je goed om je heen kunt kijken.
Ik pak snel een boterham en loop naar dek. Wow, wat een uitzicht. De zon schittert over het water. Alsof duizenden spiegeltjes over de golven dansen en het zonlicht weerkaatsen. De zonnestralen aan bakboord dringen diep door in het water en geven de zee haar prachtige zeegroene kleur. Hier zit ik, ’s ochtends op een zeilschip op zee, zonder zorgen, zonder gedoe, gewoon te kijken naar kwallen die voorbij komen. Ik mis opeens wel enorm mijn eigen kinderen, want ik had ze dit ook graag laten zien. Zou één van mijn eigen kinderen hier zijn, dan zou ik constant willen opletten en angst hebben dat ze per ongeluk toch iets doen wat een beetje gevaarlijk is of irritant voor de medereizigers. De gesprekken aan tafel gaan vooral over varen. Over de jongen die met zijn vader aan boord is en later bij de marine wil. Over de man die liefst ieder jaar een zeilreis maakt, maar vreest dat hij er te oud voor wordt. Over de familie die aan de wal op een varend woonschip woont en daarnaast zeereizen boekt. Ik leer de rest van de opstappers al aardig kennen en voel een band met ze.
Bij het krieken van de dag hangt aan dek een opgewekte sfeer. Iedereen heeft zin in de aankomst in Rotterdam. Al willen de meeste opstappers ook nog zo lang mogelijk varen. We zien in de verte de Belgische kust opdoemen, met haar windparken en veel vrachtschepen die op zee voor anker liggen. De bewoonde wereld is in zicht. We komen aan in Rotterdam, waar het aanmeren nog even tijd neemt. Op de pier staan verslaggevers, zelfs uit Frankrijk en Engeland die de kapitein willen spreken. Hij staat ze, vriendelijk als altijd, te woord en gaat dan aan wal. Ik stap van boord en zie mijn gezin. Ik geef mijn kinderen en man een dikke knuffel. Mijn collega’s van Schuttevaer zijn er ook, hen geef ik een rondleiding aan boord. Ze zijn onder de indruk van de mooi ingetimmerde vertrekken aan boord. Even later voel ik me landziek. Ik heb spaghettibenen en ben draaierig, maar ook heel gelukkig. Thuiskomen is geweldig, zeker op deze manier. ’Ik neem afscheid van een groep mensen waarmee ik in zo’n korte tijd aan boord al een innige band heb opgebouwd. Thuis in mijn eigen bed mis ik de golven en de bewegingen van het schip. Ik droom die nacht van de zee.

